Het Samenspel. Klanten aan het roer

16 februari 2010
Samenspel

Het Samenspel. Klanten aan het roer

Onze klanten zijn woonconsumenten: ze weten wat ze willen en maken hun eigen afwegingen en keuzes. Dat bepaalt ons werk. Klinkt goed, maar vinden onze klanten dat ook? Wat herkennen zij in ons werk? Wat doen we goed, wat kan beter? Daarover gingen we in gesprek met twee betrokken huurders.

Marloes Grotenhuis, bewoner in Tongelre. Noud van Diessen, bewoner in Stratum. Paul Terwisscha van Scheltinga, adjunct-directeur Vastgoed Woonbedrijf. Paul Tholenaars, adjunct-directeur Wonen Woonbedrijf

Noud van Diessen woont al 33 jaar in hetzelfde huis in de Roosten, Stratum. Marlous Grotenhuis had “het Staats­loterijgevoel” toen ze een paar jaar geleden het huis in Tongelre kreeg waar ze al lang verliefd op was. Paul Tholenaars is adjunct-directeur Wonen en Paul Terwisscha van Scheltinga adjunct-directeur Vastgoed. Met z’n vieren bediscussiëren ze Woonbedrijf als klantgestuurde corporatie.

Marlous en Noud wonen allebei in oudere huizen. Noud: “Dat merk ik wel, bijvoorbeeld aan de gehorigheid. Je hoort de buurvrouw op het toilet, dus zij hoort jou ook, daar schaam ik me wel eens voor als ik visite heb. Ach, dan zetten we de muziek wat harder. Toch vind ik leefbaarheid belangrijker. Natuurlijk wil ik een mooi huisje. Maar er met plezier wonen staat toch voorop.” Marlous: “Ik voel de hogere energierekening in mijn portemonnee. Maar ook ik kies voor leefbaarheid: me in mijn hart gelukkig voelen is belangrijker dan een koude muur.”

Beiden stoppen veel tijd en energie in hun huis, maar waarderen het ook hoe Woonbedrijf voor haar bezit zorgt. Noud: “Ik heb zelf een vaste trap naar de zolder gemaakt. Daar heb ik al jaren plezier van. We wilden met een aantal buren overal een beloopbare en bruikbare zolder, maar dat bleek geen haalbare kaart. Bovendien zou dat teveel huurverhoging met zich meebrengen. ‘Nee’ te horen krijgen is niet erg, als dat goed onderbouwd is.” 

Marlous: “Ik voel me gehoord, bijna op een verwende manier. Ik hoef maar te bellen en technische problemen worden opgelost. Vanwege mijn lengte wilde ik graag een hoger aanrecht. ‘Echt, meidje?’, zeiden ze. Maar het kwam er wel. Zulke kleine dingen stemmen me gelukkig. En als iets niet kan, wordt dat goed gecommuniceerd. Dan neemt de beheerder de tijd om een kop koffie met me te drinken.”

Investeren in leefbaarheid
Paul Terwisscha van Scheltinga rea­­geert: “Het is voor ons steeds zoeken naar antwoorden op individuele vragen - wat kan wel, wat kan niet? We kunnen een huis wel tiptop in orde maken, maar is dat wel altijd het geld waard? We proberen zoveel mogelijk te doen. Zeker bij groot onderhoud vervangen we veel. Maar dat moet dan wel voor meer of liefst alle woningen tegelijk in verband met de kosten, anders is het niet te doen. Als er bijvoorbeeld echt een nieuw dak nodig is, dan komt het er gewoon. Een nieuwe CV-ketel ook. Landelijk bestaat het beeld dat corporaties op de centen zitten, maar we stoppen miljoenen in ons bezit, dus in de woning­en zelf. We hebben reserves om dat te kunnen blijven doen, maar we investeren ook volop in leefbaarheid. Maar wat als de regering vindt dat er bij ons geld te halen valt voor het spekken van de pot van het rijk? Dan moeten we keuzes maken en ons alleen op de woningen richten.” “Schokkend”, vindt Marlous. “De huidige crisis is juist ontstaan omdat men te gezellig met budgetten omging. Wie bekommert zich dan om de leefbaarheid in wijken? Ga alsjeblieft door! Jullie zetten heel vaak en op charmante wijze de toon in de wijk. Jullie hoeven niet zo nodig de krant te halen met hippe dingen, die slag is al gemaakt. Woon­bedrijf is groot, jullie kunnen snel schakelen én tien jaar vooruit kijken. Heel anders dan de regering, die kijkt de verkeerde kant op. De gemeente schakelt ook niet snel genoeg, wil altijd van alles eerst bedenken en bewijzen. Daar zitten teveel ‘grijze’ mensen die zich problemen niet eigen maken, maar zich drukker maken om hun zoveeljarig dienst­verband.” 

Buren
Leefbaarheid heeft voor beiden ook te maken met wie er naast je woont. Marlous: “Ik heb gebeden om fijne buren, en die heb ik, ook al is er geen babyfoonrelatie. Ik kan het prima vinden met de ex-studenten naast ons. Daarvoor zaten er ruziërs. Nou, dat komt letterlijk en figuurlijk bij je binnen. Dat raakte me enorm. Nu ze weg zijn, voelt dat echt heel anders. Basisgeluk zou ik het willen noemen.” 

Noud: “Als de leefbaarheid in de wijk sterk verbetert, zou van mij de huur wat omhoog mogen. Daar heb ik wel geld voor over. Ik kan me voorstellen dat je wilt verhuizen om wie er naast je woont. Wat doen jullie er aan bij de woningtoewijzing?”

Paul Tholenaars: “Lastig om aan de verwachtingen te voldoen. Je weet meestal niet van tevoren hoe mensen als buren zijn, dus daar kunnen we niet op sturen. Herkenbare overlastveroorzakers zijn er gelukkig niet veel, maar soms voelt een mismatch ook al vervelend. Buren die leuker hadden gekund, met wie je niet echt contact hebt. Bovendien bepalen onze klanten zelf waar ze willen wonen. Toch is het een maatschappelijke vraag waar het hele land mee worstelt. Met wie je woont en hoe die persoon woont, is belangrijk voor je woonplezier. We hebben er niet voor niets één van onze koersdoelen van gemaakt. Het is hét probleem in deze regio. In Amsterdam bijvoorbeeld eveneens, maar daar is het allereerst vechten om een woning op zich.”

Zelf acteren
Noud en Marlous beamen volmondig dat je zelf ook wat kunt doen. Noud: “Gewoon vragen. Klein beginnen, anderen erbij betrekken, meedenken, zelf met vragen en oplossingen komen, samen proberen de wijk leuk te houden. Bij ons in de wijk is een bewoner die veel doet en schoonmaakt. Die stoppen we af en toe wat toe, want ik vind het belangrijk dat zijn werk gezien wordt. Ik vind Woonbedrijf veel socialer geworden, we kunnen nu iets gedaan krijgen. De lijnen zijn korter, ook naar de directie. Als we een overleg hebben, schuift Woonbedrijf altijd aan, daar hoeven we niet om te zeuren. Spreekuur? Zeg maar wanneer. Dat werkt prettig. Ik heb het liever zo persoonlijk dan steeds de telefoon pakken.” Hij illustreert hoe die aanpak werkt: “We hebben nu een inlooppunt in de wijk, ons eigen pandje met een lage drempel waar we leuke projecten organiseren. De mensen weten het te vinden, dus blijkbaar is er behoefte aan. We kregen geld van Woonbedrijf voor het opzetten van het inlooppunt en zijn steeds een beetje breder gaan werken om er samen iets van te maken. Daar moet je wel een lange adem voor hebben, ja, en natuurlijk de steun van de gemeente. En veel zelf doen. Voorbeeld: een kinder­clubje is geen opvang waar je je kinderen kunt dumpen. Gemopper over sneeuw of vuil op de stoepen? Vroeger kon je voor een heitje voor een karweitje de stoep bij winkeliers vegen. Goeie tip voor de jeugd, kunnen ze wat bijver­dienen. Ik zeg weleens tegen de bezoekers van ons inlooppunt: ‘Het is hier geen Klaagmuur, je komt hier voor de gezelligheid’. Jullie doen mee, en dat is een groot pluspunt. Blijf dus vooral investeren in leefbaarheid!” Marlous: “En blijf mensen aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid.”

Reageren? Mail naar p.terwisscha@woonbedrijf.com of p.tholenaars@woonbedrijf.com